
Waarom dimt het licht soms even of slaat de automaat uit zodra je gloeilampen aanzet? Je ontdekt hoe de koude gloeidraad voor een korte, flinke inschakelpiek zorgt en wat dat betekent voor zekeringen, dimmers en spanningsdipjes. Met praktische tips zoals softstart, NTC-begrenzers, de juiste B/C-karakteristiek en gespreid inschakelen voorkom je knipperen, slijtage en onverwachte trips.

Wat is inschakelstroom bij gloeilampen
Inschakelstroom is de korte, hoge stroompiek die optreedt zodra je een gloeilamp aanzet. Die piek ontstaat omdat de gloeidraad van wolfraam in koude toestand een veel lagere elektrische weerstand heeft. Weerstand is simpel gezegd de tegendruk tegen de stroom: bij lage weerstand kan er bij dezelfde spanning (230 V in Nederland en België) meer stroom lopen. Op het moment van inschakelen is de draad nog koud, dus schiet de stroom omhoog. Binnen enkele milliseconden warmt de gloeidraad op, stijgt de weerstand snel en zakt de stroom terug naar de normale bedrijfswaarde. In de praktijk ligt de piek vaak rond 5 tot 12 keer de nominale stroom, en duurt die slechts een fractie van een seconde, afhankelijk van lampvermogen, netspanning en omgevingstemperatuur.
Zet je meerdere lampen tegelijk aan, dan tellen de pieken zich op, wat zekeringen, automaten, schakelaars en dimmers extra belast en soms tot een kort tikje, uitschakelen of een klein spanningsdipje kan leiden. Dit verklaart ook waarom gloeilampen relatief vaak doorbranden bij het inschakelen: de thermische schok is het grootst op dat moment. Halogeenlampen vallen onder gloeilampen en vertonen hetzelfde gedrag. Inschakelstroom is dus geen fout, maar een inherent kenmerk van de gloeidraad en iets om rekening mee te houden bij de keuze van componenten en het ontwerp van je installatie.
Waarom de stroompiek ontstaat (koude gloeidraad, lage weerstand)
De stroompiek bij een gloeilamp ontstaat doordat de gloeidraad van wolfraam koud begint en dan een veel lagere elektrische weerstand heeft dan wanneer hij gloeit. Weerstand is de “tegenstand” die stroom ondervindt; volgens Ohm’s wet (I = U/R) levert dezelfde netspanning van 230 V dus veel meer stroom als de weerstand laag is. De koude weerstand kan grofweg 10 tot 15 keer lager zijn dan de warme waarde, waardoor de inschakelstroom tot meerdere malen de nominale stroom oploopt.
Binnen milliseconden warmt de draad op, neemt de weerstand sterk toe (wolfraam heeft een positieve temperatuurcoëfficiënt) en zakt de stroom naar het normale niveau. De exacte piek hangt ook af van het inschakelmoment in de 50 Hz-sinus: bij een spanningspiek is de inschakelstroom hoger dan bij een nuldoorgang. Daarnaast beperken bedrading, contacten en dimmers de piek een beetje door hun eigen serieweerstand en inductie.
Grootte en duur van de piek (met richtwaarden voor 230 V)
De inschakelstroom van een gloeilamp op 230 V is kort maar fors en ligt typisch tussen 5 en 12 keer de nominale stroom, afhankelijk van lampvermogen, omgevingstemperatuur en het exacte inschakelmoment in de 50 Hz-sinus. Reken als richtwaarde: 40 W heeft ongeveer 0,17 A nominale stroom en 1 tot 2 A piek, 60 W ongeveer 0,26 A nominal en 2 tot 3 A piek, 100 W ongeveer 0,43 A nominal en 4 tot 6 A piek. De hoogste top treedt vaak binnen de eerste milliseconde op en zakt vervolgens snel doordat de gloeidraad opwarmt en de weerstand toeneemt.
Binnen circa 5 tot 20 milliseconden is de stroom meestal terug tot ongeveer 1,5 tot 2 keer nominal, en na grofweg 100 milliseconden zit je rond de stabiele bedrijfsstroom. Halogeenlampen volgen hetzelfde patroon, vaak met een iets kortere piekduur door de compactere gloeidraad.
[TIP] Tip: Gebruik een NTC-weerstand om gloeilampinschakelstroom effectief te beperken.

Effecten in de installatie
De inschakelstroom van gloeilampen is kort maar intens en kan veel hoger zijn dan de nominale stroom. Dat geeft merkbare gevolgen voor beveiligingen en schakelapparatuur, vooral als meerdere lampen tegelijk aangaan.
- Zekeringen, automaten en schakelaars: de korte piek (milliseconden) kan ongewenst uitschakelen veroorzaken, met name bij B-karakteristiek (bijv. B16) wanneer meerdere 60-100 W lampen samen inschakelen; C-karakteristiek verdraagt zulke pieken beter. Schakelaars en relais krijgen extra vonkvorming en contactslijtage; kies daarom componenten met “tungsten/gloeilamp”-rating en voldoende schakelvermogen om plakken of vastbranden te voorkomen.
- Dimmers en slimme schakelaars: triac-/faseaansnijddimmers en smart-relays kunnen door de piekstroom (zeker bij meerdere parallelle lampen) hun halfgeleiders of contacten overbelasten. Gebruik dimmers/schakelaars met gloeilamprating of softstart, en let op het maximale aantal en vermogen van de aangesloten lampen.
- Spanningsdipjes en knipperen: de hoge aanloopstroom veroorzaakt een korte spanningsval door leidingsimpedantie of een zwakke groep, waardoor andere verlichting even kan dimmen of knipperen. Dit treedt sterker op bij lange kabels en als veel belastingen gelijktijdig inschakelen.
Door met deze effecten rekening te houden voorkom je storingen en onnodige slijtage. In de volgende sectie gaan we in op meten, inschatten en praktische oplossingen.
Impact op zekeringen, automaten en schakelaars
De inschakelstroom van gloeilampen kan zekeringen en automaten kortstondig zwaar belasten, vooral als je meerdere lampen tegelijk aanzet. Smeltzekeringen en automaten met B-karakteristiek (gevoelig voor pieken) kunnen dan ongewenst afschakelen, terwijl C-karakteristiek meestal beter tegen deze korte pieken kan. Bij een B16 kan een bundel van klassieke 60 of 100 watt lampen de grens even overschrijden, ondanks dat de continue belasting ruim binnen de 16 A blijft.
Schakelaars en relais krijgen extra vonkvorming op de contacten door de hoge aanloopstroom, wat slijtage versnelt en op termijn tot plakken of slecht contact kan leiden. Kies daarom componenten met een “tungsten” of T-rating en voldoende schakelvermogen, en houd rekening met derating bij 230 V. Zo voorkom je hinderlijke trips en verleng je de levensduur van je schakelmateriaal.
Invloed op dimmers en slimme schakelaars (inclusief meerdere lampen)
Dimmers en slimme schakelaars krijgen het zwaar door de inschakelstroom van gloeilampen, zeker als je meerdere lampen parallel schakelt. Triac-dimmers (vaak fase-aansnijding) zien een hoge di/dt en piekstroom zodra de koude gloeidraden spanning krijgen, wat kan leiden tot knipperen, zoemen, thermische begrenzing of zelfs vroegtijdige uitval. Slimme schakelaars met relais of MOSFET’s hebben soms nuldoorgangsschakeling en softstart, waardoor de piek wordt getemd, maar de totale piek bij meerdere lampen kan nog steeds de interne limieten raken.
Let op de specifieke “incandescent/halogen” of “tungsten” rating: die is vaak lager dan de continue vermogensrating door de piekstromen. Kies bij meerdere lampen een dimmer of schakelaar met softstart en voldoende piekstroomcapaciteit, of verdeel de lampen over meerdere kanalen om problemen te voorkomen.
Spanningsdipjes en zichtbaar knipperen
Wanneer je gloeilampen inschakelt, veroorzaakt de inschakelstroom een korte spanningsval in je installatie: de piekstroom loopt door de netimpedantie en levert U = I × Z op, zichtbaar als een kort “dipje”. Je merkt dat als andere lampen in huis heel even dimmen of knipperen, vooral als je meerdere gloeilampen tegelijk aanzet. Het effect wordt groter bij koude lampen, lange of dunne kabels, zwakke aansluitpunten en wanneer dezelfde groep ook andere apparaten voedt.
LED-lampen op dezelfde groep zijn extra gevoelig en kunnen duidelijker flikkeren dan de gloeilamp zelf. Je beperkt dit door softstart of dimmers met nuldoorgang en langzame opkomtijd te gebruiken, lampen niet allemaal tegelijk te schakelen, belasting te verdelen over groepen en losse, warme contacten in las- en schakelmateriaal te vermijden.
[TIP] Tip: Kies automaten met karakteristiek C voor gloeilamp-inschakelstroom.

Meten en inschatten
De inschakelstroom van gloeilampen kun je realistisch inschatten en, indien nodig, veilig meten. Hieronder vind je een korte aanpak met vuistregels, meetmethodes en invloedsfactoren.
- Snel berekenen vanuit vermogen en koude weerstand: bepaal eerst de nominale stroom I_nom = P/230; de inschakelpiek is grofweg 5-12 × I_nom. Voorbeelden: 60 W -> I_nom 0,26 A -> piek 1,3-3,1 A; 100 W -> I_nom 0,43 A -> piek 2,1-5,2 A. Nauwkeuriger: meet de koude weerstand R_koud met een ohmmeter (lamp losgekoppeld) en reken I_inrush,0 230/R_koud; de werkelijke piek ligt meestal iets lager door bedrading/schakelweerstand en doordat de gloeidraad al in de eerste halve periode opwarmt. De piek duurt typisch 5-15 ms.
- Praktisch meten in huis of werkplaats (methode en veiligheid): gebruik bij voorkeur een stroomtang met “inrush”-functie of een oscilloscoop met stroomprobe; een gewone multimeter mist de millisecondenpiek. Alternatief shunt-meten: plaats een lage-inductie shunt van ca. 0,1 (5-10 W) in serie met de lamp en meet de spanningsval met een differentiële probe of geïsoleerde oscilloscoop; reken I = V/R, kies voldoende samplesnelheid (100 kS/s), hou meetdraden kort. Beveilig met een passende zekering, bouw spanningsloos op, gebruik geïsoleerde meetkabels en raak tijdens de test niets aan. Herhaal meerdere koude inschakelingen en noteer de hoogste waarde.
- Factoren die de piek beïnvloeden: lagere omgevingstemperatuur -> lagere R_koud -> hogere piek; netspanning (230 V ±10%) verandert de piek ongeveer lineair met de spanning; meerdere lampen parallel laten pieken optellen (lange bekabeling kan dit iets dempen door lijnimpedantie); schakelwijze en elektronica (zero-cross SSR/dimmers en softstart beperken de piek, sommige dimmers kunnen juist extra pieken geven); voorgloeien of kort ervoor ingeschakeld zijn verlaagt de piek; lampsoort/leeftijd (halogeen warmt sneller op; oudere lampen zijn gevoeliger voor doorslag bij inschakelen).
Combineer de vuistregel en eventueel een koude-weerstandsmeting voor een snelle inschatting en verifieer met een veilige meting waar nodig. Zo dimensioneer je automaten, dimmers en schakelaars zonder ongewenst afschakelen of zichtbaar knipperen.
Snel berekenen vanuit vermogen en koude weerstand
Voor een snelle inschatting neem je de nominale stroom I_nom = P/230 en vermenigvuldig je met 5-12 om de piek te schatten; bijvoorbeeld 60 W -> 0,26 A nominaal -> 2-3 A inrush. Nauwkeuriger ga je via de koude weerstand R_koud: meet die met een ohmmeter op een afgekoelde lamp en reken I_inrush 230/R_koud. R_koud is doorgaans 8-15 keer lager dan de warme weerstand, waardoor de startstroom meerdere keren de bedrijfsstroom is.
Houd rekening met het inschakelmoment in de 50 Hz-sinus (nuldoorgang lager, spanningspiek hoger) en met serieweerstanden van bedrading en schakelcontacten die de piek iets temperen. Schakel je meerdere lampen tegelijk, tel dan de pieken op voor de groepsbelasting en de rating van dimmers of automaten.
Praktisch meten in huis of werkplaats (methode en veiligheid)
De makkelijkste manier om inschakelstroom te meten is met een stroomtang met inrush-functie rond één geleider van de lampsnoer of groep. Heb je een oscilloscoop, gebruik dan een stroomtang of een lage- shunt met bekend vermogen; houd bedrading kort om extra inductie en weerstand te vermijden. Bouw de meetopstelling spanningsvrij op, gebruik volledig geïsoleerde klemmen en zorg dat er geen blank koper zichtbaar is.
Werk bij voorkeur via een geaarde contactdoos met een automaat en plaats een zekering in de meetlus bij een shunt. Een standaard multimeter mist de millisecondenpiek, dus reken daar niet op. Voor reproduceerbare resultaten laat je de lamp tussendoor afkoelen en trigger je de meting rond nuldoorgang én rond spanningsmaximum om het verschil te zien.
Factoren die de piek beïnvloeden (temperatuur, netspanning, aantal lampen)
De hoogte van de inschakelstroom hangt sterk af van temperatuur, netspanning en hoeveel lampen je tegelijk aanzet. Een koude gloeidraad heeft een veel lagere weerstand dan een warme, dus in een koele ruimte of als een lamp net lang uit is geweest is de piek het hoogst; schakel je kort na uitschakelen opnieuw in, dan valt de piek lager uit. De netspanning speelt ook mee: bij 230 V +10% loopt de piekstroom ruwweg evenredig hoger, terwijl een lagere spanning de piek tempert.
Het inschakelmoment in de 50 Hz-sinus telt mee: bij spanningsmaximum is de piek groter dan bij nuldoorgang. Zet je meerdere lampen tegelijk aan, dan tellen de pieken zich op, tenzij de installatie-impedantie, bedrading of een softstart-dimmer ze deels begrenst.
[TIP] Tip: Gebruik stroomtang met piekvastfunctie; schat via netspanning/koudweerstand.

Oplossingen en praktische tips
Wil je de inschakelstroom van gloeilampen temmen, combineer dan een paar simpele ingrepen met de juiste componentkeuze. Een dimmer of slimme schakelaar met softstart laat de spanning in enkele honderden milliseconden oplopen, waardoor de gloeidraad eerst opwarmt en de piek flink lager uitvalt. Modellen met nuldoorgangsschakeling (inschakelen precies wanneer de wisselspanning door nul gaat) helpen extra. Een NTC-inrushbegrenzer is ook effectief: zo’n weerstand is koud hoog en warm laag, waardoor de startstroom wordt afgeremd en de verliezen tijdens bedrijf beperkt blijven. Kies schakelmateriaal met voldoende “tungsten” of 10AX/16AX-rating en check het opgegeven maximale gloeilampvermogen; bij meerdere lampen kies je liever wat overcapaciteit.
Heb je veel gloeilampen op één groep, dan kan een automaat met C-karakteristiek beter tegen korte pieken dan een B-automaat. Verder voorkom je problemen door lampen niet allemaal tegelijk te schakelen, kanalen te verdelen over meerdere dimmers of groepen en aansluitingen in doosjes en schakelaars strak en schoon te houden om extra contactweerstand te vermijden. Door de piek te beperken en componenten slim te kiezen, maak je je installatie stiller, stabieler en gaan zowel lampen als schakelaars aantoonbaar langer mee.
Inschakelstroom beperken: NTC, softstart en voorverwarmen
Onderstaande vergelijking laat zien hoe NTC’s, softstart en voorverwarmen de inschakelstroom van een 230 V gloeilamp beperken, met hun typische effect, toepassingen en aandachtspunten.
| Methode | Hoe het werkt | Effect op inschakelstroom (230 V gloeilamp) | Geschikt voor & aandachtspunten |
|---|---|---|---|
| NTC-thermistor in serie | Koude NTC heeft hoge R en begrenst de eerste halve perioden; warmt op en verlaagt R bij bedrijf. | Reduceert piek van ~8-12× In naar ~3-6× In; duur: ~50-200 ms. Minder effectief bij snel herinschakelen (NTC nog warm). | Eenvoudig/goedkoop; klein continu verlies (typ. 0,1-0,5 W). Dimensioneer op piekstroom en energie. Kan dimcurve licht beïnvloeden. |
| Softstart (triac-ramp of R+relais bypass) | Elektronica verhoogt spanning/geleidingshoek geleidelijk of gebruikt serieweerstand die na opstart wordt overbrugd. | Beperkt tot ~1,2-2× In; opstart 200-800 ms. Zeer lage thermische schok, goede herhaalbaarheid. | Beste voor meerdere lampen/gevoelige automaten. Met bypass vrijwel geen verlies. Complexer; let op EMI en compatibiliteit met dimmers. |
| Voorverwarmen van de gloeidraad | Filament kort vóór inschakelen opwarmen met 5-20% vermogen (of permanent lage dimstand) om koude weerstand te verhogen. | Brengt piek typisch terug naar ~2-4× In; vermindert thermische stress en verlengt levensduur. | Effectief en simpel met slimme dimmers. Nadeel: standby-verbruik (bij 10% 10% van lampvermogen). Niet wenselijk waar “uit=0 W” vereist is. |
Kern: softstart geeft de sterkste en meest consistente piekreductie, NTC is goedkoop en eenvoudig maar minder effectief bij snel schakelen, en voorverwarmen werkt goed tegen pieken en slijtage tegen de prijs van extra standby-verbruik.
Je kunt de inschakelstroom van gloeilampen effectief temmen met drie technieken die elk hun sterke punten hebben. Een NTC (negatieve temperatuurcoëfficiënt) weerstand zet je in serie met de lamp; koud heeft hij een hoge weerstand en remt hij de piek, warm zakt die weerstand zodat de verliezen beperkt blijven. Kies de NTC op basis van piekstroom en continu vermogen en besef dat snelle herstarts minder worden gedempt. Softstart laat de netspanning in 100-500 milliseconden oplopen, vaak rond de nuldoorgang, en zit in goede dimmers en slimme schakelaars; ideaal als je meerdere lampen tegelijk schakelt.
Voorverwarmen geeft de gloeidraad een kleine voorstroom (bijvoorbeeld een lage dimstand of preheat-functie), waardoor de koude weerstand stijgt en de stress bij inschakelen daalt. Houd bij 230 V rekening met warmte en voldoende isolatie van alle componenten.
Juiste componentkeuze: automaatkarakteristiek en schakelvermogen
De juiste componenten kiezen begint bij de automaatkarakteristiek: een B-automaat is gevoeliger voor korte pieken en kan bij veel gloeilampen tegelijk onterecht afschakelen, terwijl een C-automaat beter tegen inschakelstromen kan zonder je beveiliging te verzwakken. Kijk verder naar het schakelvermogen van schakelaars, relais en slimme modules: kies varianten met een expliciete gloeilamp- of “tungsten”-rating (bijv.
10AX/16AX of een apart wattage voor incandescent). Let op dat de piekstroomlimiet vaak bepalend is, niet alleen het continue vermogen. Bij meerdere lampen per kanaal tel je de pieken op, of kies je een softstartdimmer. Houd rekening met omgevingstemperatuur en inbouwruimte voor koeling, en vermijd onderspecificeren zodat contacten niet voortijdig slijten of plakken.
Meerdere lampen: gespreid inschakelen en slimme dimmers
Zet je veel gloeilampen tegelijk aan, dan stapelen de inschakelstromen zich op tot één grote piek. Door gespreid in te schakelen verlaag je die top flink: laat lampen met stapjes van bijvoorbeeld 50-200 milliseconden aangaan, of gebruik scènes met een zachte fade-in zodat de gloeidraden eerst opwarmen. Slimme dimmers en meerkanaalsactuators met softstart, nuldoorgang en programmeerbare vertragingen doen dit automatisch en houden de piekstroom per kanaal binnen de perken.
Kies bij voorkeur modules met echte “tungsten”-rating en voldoende piekstroomcapaciteit, en verdeel veel lampen over meerdere kanalen of groepen. Een lichte preheat (lage dimstand standby) helpt ook, omdat de koude weerstand hoger begint. Zo voorkom je trips, knipperen en onnodige slijtage van jouw schakelmateriaal.
Veelgestelde vragen over inschakelstroom gloeilamp
Wat is het belangrijkste om te weten over inschakelstroom gloeilamp?
Inschakelstroom bij gloeilampen ontstaat doordat de koude gloeidraad een lage weerstand heeft. De stroompiek kan 8-12× de nominale stroom bedragen en duurt typisch enkele tot tientallen milliseconden bij 230 V.
Hoe begin je het beste met inschakelstroom gloeilamp?
Begin met een snelle inschatting: I_nom = P/230; inschakelpiek 8-12× I_nom. Controleer automaatkarakteristiek (B/C), dimmer- of relaisratings, en meet zo nodig met een stroomtang met inrush-functie. Werk spanningsvrij.
Wat zijn veelgemaakte fouten bij inschakelstroom gloeilamp?
Veelgemaakte fouten: enkel de nominale stroom aanhouden, meerdere lampen tegelijk schakelen, LED-dimmers gebruiken voor gloeilampen, te trage meetinstrumenten inzetten, B-automaten of kleine relais toepassen, en veiligheidsmaatregelen negeren bij testen of NTC/softstart inbouwen.